bacteriën en virussen  (theorie - theorie met verwerkingsopdrachten)| onderbouw h v | bovenbouw m h v |

levensverschijnselen

We noemen een organisme levend als het de levensverschijnselen vertoont.De levensverschijnselen zijn: ademhalen, voeden, uitscheiding, bewegen, waarnemen, groeien en voortplanten. In eerste instantie is het moeilijk voor te stellen dat een paddestoel ademt, beweegt en waarneemt, maar na enig biologisch onderzoek blijkt dat alle organismen uit alle rijken de zeven levensverschijnselen vertonen. Een organisme dat geen levensverschijnselen meer vertoont is logischerwijs dood. Iets dat nooit levensverschijnselen heeft vertoond is logischerwijs levenloos.

virussen

Een virus bestaat, in tegenstelling tot bacteriën, schimmels, planten en dieren, niet uit cellen. Technisch gesproken vertoont een virus niet alle levensverschijnselen en is een virus niet levend. Een virus infecteert een levende cel en maakt van de celprocessen gebruik om zich voort te planten. Een virus is eigenlijk slechts erfelijk materiaal dat omgeven is door een mantel. Virussen kunnen zich razendsnel voortplanten.

virus

In de bovenstaande animatie is te zien hoe een virus een cel infecteert. De mantel van het virus versmelt met het celmembraan van de cel en het virus geeft zijn erfelijk materiaal af aan de cel. Op het erfelijk materiaal van het virus staat hoe het virus gereproduceerd moet worden. Het erfelijke virusmateriaal verstoort de celprocessen omdat de cel het virusmateriaal gaat reproduceren in plaats van de normale celprocessen. Als er voldoende nieuwe virussen gemaakt zijn barst de cel open en verspreiden de virussen zich over de rest van het organisme. De geïnfecteerde cel gaat meestal dood.

1.1
1pntEen virus behoort niet tot de levende wezens, omdat een virus niet alle levensverschijnselen vertoont. Welk(e) levensverschijnsel(en) vertoont een virus wel?

  • geef aan hoe de vraag gemaakt is: ( ) ( )


bacteriën

Bacteriën vertonen net als schimmels, planten en dieren alle levensverschijnselen. Bacteriecellen zijn veel kleiner dan cellen van schimmels, planten of dieren. Bacteriën hebben een celwand, geen celkern, geen vacuolen en geen bladgroenkorrels. Bacteriën planten zich voort door deling.

bacteriën

Onder gunstige omstandigheden deelt een bacterie elke 20 minuten. Na 20 minuten heeft de bacterie zich éénmaal gedeeld. Na 40 minuten delen beide bacteriën zich weer, waardoor 4 bacteriën ontstaan. Na 60 minuten ontstaan 8 bacteriën, na 80 minuten ontstaan 16 bacteriën, na 100 minuten 32 bacterien, na 120 minuten 64 bacteriën, na 140 minuten 128 bacteriën, na 160 minuten 256 bacteriën en na drie uur zijn er meer dan 500 bacteriën ontstaan door deling.

deling

1.2
1pntAls zich op een gunstige plek 1000 bacteriën bevinden, hoeveel bacteriën bevinden zich dan na 2 uur op deze plek?

  • geef aan hoe de vraag gemaakt is: ( ) ( )


1.3
1pntAls zich op een gunstige plek 1.000.000 bacteriën bevinden, hoeveel bacteriën bevinden zich dan na 3 uur op deze plek?

  • geef aan hoe de vraag gemaakt is: ( ) ( )



persoonlijke score

history

advertentie

advertentie

© 2017 Leon Dahmen biodoen Den Haag